
'Ik geloof in hybride vormen van architectuur en stedenbouw'
Interview met Rogier van den Berg, hoofd Stedenbouw
Rogier van den Berg (1975) is per 1 september 2008 benoemd tot hoofd Stedenbouw aan de Academie van Bouwkunst van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. Van den Berg is mededirecteur en -oprichter van het Rotterdamse bureau Zandbelt&vandenBerg architecture en urban design, dat op het kruisvlak van architectuur en stedenbouw opereert. De kruisbestuiving wordt onder andere zichtbaar in actuele projecten als de dubbelstad Amsterdam-Almere, een Business Park aan de rand van Peking, Witte de With (een huis voor visuele cultuur in Rotterdam), een villa in de Duinen of onderdelen van het Thames Gateway-project in Londen.
Rogier van den Berg was tot op heden verbonden als docent aan de leerstoelgroep Stad en regio van de TU Delft, waar hij van 1994 tot 2001 Architectuur studeerde. Al tijdens zijn afstuderen raakte Van den Berg geïntrigeerd door stedenbouwkundige vraagstukken. Zijn afstudeerplan getiteld Superbia heeft de suburbanisatie van het Groene Hart als thema. In dit project voor nieuwe condities in de Randstad wordt een netwerk van 274 nieuwe dorpen geschetst, met kleine kernen langs de bestaande infrastructuur, waardoor een combinatie van stad en landschap wordt gevormd. Anders dan bij Vinex-wijken, die geconcipieerd zijn als verlengstuk van de grote steden en een woonwerkrelatie tussen stad en wijk veronderstellen, gaat het hier om een nieuwe opvatting van stedelijkheid: vanuit de nieuwe dorpen kun je uitwaaien naar de hele regio. De nieuwe kernen zijn gelokaliseerd langs het bestaande regionale wegennet, met goede aansluiting op de snelwegen. Daar zijn ook de nieuwe werkgebieden gesitueerd en op strategische locaties zijn zogenaamde weidewinkels geplaatst: megastores naar Amerikaans voorbeeld.
De netwerkstad
Van den Berg: ‘Ons bureau zijn wij begonnen met de gedachte aan reflectie op de hedendaagse stad. Wij maken regionale strategieën,stedenbouwkundige plannen en architectuur. Al deze schaalniveaus zin relevant in een goed plan. Ik geloof in hybride vormen van werken en wonen, stad en dorp, architectuur en stedenbouw met infrastructuur en landschap daarin verweven.
Historische binnensteden zijn soms een loden last voor vernieuwend denken over stedelijkheid. Je kunt haast zeggen dat de discussie een morele impact heeft. Het verlangen naar een historische binnenstad is zo groot dat het verblindend werkt voor nieuwe ontwikkelingen. De oude binnensteden zijn weliswaar als een warm bad, uitstekend voor recreatie en wonen, maar ze voldoen niet aan de behoeften van de economie.
De stad als werklocatie is in de stedenbouw onderbelicht. Men kan zich makkelijk met wonen identificeren, maar minder met kantoren of bedrijfshallen. Er zijn dan ook weinig goede concepten voor bedrijfsterreinen met aandacht voor distributie en verzameling. Ik vind het juist zeer inspirerend om op zoek te gaan naar samenhangende werkclusters met een duidelijke plek in de stad. De Zuidas in Amsterdam is daar een voorbeeld van: op een nieuwe plek aan de rand van de stad ontstaat een combinatie van functionaliteiten die je vanuit het centrum nooit zou hebben bedacht. Het ontwikkelen van een netwerkstad is een nieuwe opgave voor de stedenbouw.
Stedenbouw en architectuur
Binnen de stedenbouw spelen economische en sociologische vraagstukken een belangrijke rol. De ideevorming gebeurt gezamenlijk: het is een collectief proces waarbij noodzakelijke concessies moeten worden gedaan. Architectuur daarentegen is een persoonlijke performance, omdat architecten zich meer baseren op de individuele gedachte en het ontwerp 'tot op de schroef'. Het noodzakelijke debat binnen een stedenbouwkundig project en de dynamiek tussen de verschillende partijen vind ik boeiend. Het gaat niet alleen om het ontwerp, maar ook om het creëren van draagvlak.
Het project Witte de With is een mooi voorbeeld van hoe de kruisbestuiving tussen stedenbouwkundige gedachten binnen een architectonisch project het geheel op een hoger plan kan tillen. Het internationaal georiënteerde Witte de With en het Rotterdamse Tent willen samen een huis voor visuele cultuur vormen. Daarvoor is heroriëntering van het oude gebouw nodig en moet een nieuwe, zichtbare plek in de stad geclaimd worden om de performance in de stad verbeteren. Achter ons ontwerp voor dit gebouw schuilt een stedenbouwkundig model.
Van Delft naar Amsterdam
Werken in het onderwijs is voor mij inspirerend. Ik houd van de intensiteit van workshops, de frisse ideeën, het hoge tempo. In een onderwijssituatie gaat de planvorming razendsnel: binnen een trimester doorloop je een project. Je kunt de resultaten direct laten zien, terwijl dat in de beroepspraktijk onmogelijk is met langdurige projecten die wel 10 of 15 jaar kunnen duren.
Er is een groot cultuurverschil tussen Delft en Amsterdam. Aan de Academie van Bouwkunst heerst een prettige, losse sfeer die mede bepaald wordt door de wolk van gastdocenten. De Amsterdamse studenten beschikken over praktijkervaring die de Delfste studenten niet hebben. Daardoor gaan ze anders te werk; er bestaan duidelijke verschillen tussen ontwerpers en ingenieurs..Ik heb me verbaasd over een project aan de Academie over wonen op het water. Er waren fraaie hybride ontwerpen, maar er werd geen woord gezegd over de aan zo’n opdracht inherente techniek van watersystemen.
Internationale ambities voor Bouwkunst
Het curriculum van de Academie zit goed in elkaar. Er zijn veel opgaven waar stedenbouw en architectuur samenkomen; dat is voor mij een verademing. Er is wel een bredere portefeuille noodzakelijk. Veel concentreert zich nu op Amsterdam, maar er zijn thema’s die meer aandacht verdienen en die stedenbouwkundigen moeten beheersen.
Het hoge internationale aanzien van de Nederlandse architectuur heeft een aantrekkingskracht op het buitenlandse werkveld, waardoor je je als Academie automatisch in een internationale context begeeft. Dat heeft te maken met het Hollandse pragmatisme, dat heldere concepten oplevert. Het is natuurlijk ook te danken aan een zeer succesvolle generatie van Nederlandse architecten. De architectonische uitwerking moet sterk zijn, anders is het geheel niet goed. Pragmatisme mag niet de boventoon voeren. Ik vind het belangrijk dat er aandacht is voor de klassieke traditie, voor het poëtische, het historische en het esthetische.
In mijn periode als hoofd Stedenbouw wil ik studenten stimuleren hun blik te verbreden en te denken vanuit een groter, internationaal perspectief: de Randstad als hybride metropool, een stedelijk landschap vergelijkbaar met bijvoorbeeld San Francisco, die qua oppervlakte en bevolking ook aardig overeenkomt met de Randstad. Op die manier kijk je ook naar sociaal-economische factoren en zie je dat de performance daar beter is. Volgens mij speelt bereikbaarheid daarbij een grote rol. Ik ben gefascineerd door het grid. Je ziet dat alle gestichte steden op een grid zijn gemaakt. Los Angeles bijvoorbeeld is gebouwd rondom het transport per auto: een constitent doorgevoerd concept. Het grid werkt daar als een neutraal kader dat door partijen kan worden ingevuld. Daarmee is het een leerzaam plan voor de stedenbouwkundige met een principiële uitspraak van dat wat wordt vastgelegd en dat wat je vrijlaat.'
Links
Masteropleiding Stedenbouw
Zandbelt&vandenBerg architecture and urban design